Tanzania: een week bij de Hadzabe-stam

Fotografe Estella Brand trekt met de Jimmy Nelson Foundation naar de Rift Vallei in Tanzania. Zo brengt samenleven met de Hadzabe, een kleine groep jager-verzamelaars die leeft rond Lake Eyasi, haar terug naar de wortels van haar bestaan.

Fotograaf:Estrella Brand

Terwijl de mannen op hun prooi afstevenen, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is, raken wij snel achterop. Na een uur rennen en klauteren, waarbij al onze kledingstukken snel hun beste tijd hadden gehad door de weerhaken van de omliggende planten, vinden we eindelijk een moment van rust. We staan stil, kijken naar elkaar en kunnen alleen maar lachen. Hier staan we dan, midden in Hyenaland, hijgend en zwetend met geen ander wapen dan onze camera’s.

Hier, waar de moderne wereld enkel bestaat uit een paar lichtjes aan de horizon, leven de Hadzabe – ook wel bosjesmannen genoemd – een vrij ‘eenvoudig’ bestaan als jagers en verzamelaars. De moderne wereld komt steeds dichterbij, wild en jagen wordt meer en meer gereguleerd. Toch lijkt het bestaan van de Hadzabe nog steeds te reflecteren hoe de mensheid voor 90% van de geschiedenis leefde. Geschat wordt dat hier nog 1200 Hadzabe leven en genetisch onderzoek heeft uitgewezen dat de Hadzabe al meer dan 40.000 jaar in deze hoek van de wereld wonen. Zij zijn de originele bewoners en hun klik-taal is hierdoor een van de oudste ter wereld. Overlevend in de Rift Vallei, geven zij een kleine glimp van hoe het leven er in het begin der tijden van de mensheid uitzag.   

Zodra we de mannen weer inhalen, verdwijnt ons euforische gevoel net zo snel als het kwam. We zien dat we de mannen niet inhaalden met onze snelheid, maar dat zij simpelweg zijn gestopt met hun eerste vangst van de dag. In zijn rechterhand houdt N’Oye trots de pijl vast waarmee hij een dwerguil door de rechtervleugel heeft geschoten. De uil kijkt ons nog wanhopig aan, terwijl Andake – de jongste man van het gezelschap – zijn tanden om het hoofd van de uil klemt en met een snelle beet en soepele draaibeweging met zijn handen, de nek van de uil breekt. Na een vijf uur durende jacht komen we terug bij het kamp met een uil, een galago – een nachtdier dat voornamelijk in bomen woont – en een beetje honing. Het lijkt misschien niet veel, maar vaak genoeg levert de jacht niets op. Wij gaan echter naar huis met enkele honderden foto’s, zwetende gezichten, gescheurde kleding en lichamen vol met bultjes en schrammen.

 

Lange reis

Twee dagen eerder. Ik zit in het voertuig dat ons gedurende een rit van zes uur vanaf Arusha, redelijk goed door elkaar heeft geschud. Ik kijk uit het raam en probeer me bij elke boom, elke hut, elke heuvel en iedere Maasai die ik zie, voor te stellen hoe het zal zijn met de Hadzabe. 

Uit het niets komen drie jongens op onze auto afgestevend, zingend en dansend, om onze auto naar het kamp te begeleiden door de dichte bosjes, rotsen en bomen. Onze chauffeur James slalomt behendig zijn weg door het dichte landschap om de drie jongens te kunnen volgen. Het kamp bestaat uit twee grotere acaciabomen, waaronder alle vegetatie is weggehaald, zodat de plek als gemeenschappelijke ruimte kan worden gebruikt. Hieromheen bouwen de vrouwen enkele hutten van takken en droog gras. Het leven van de Hadzabe is volledig afhankelijk van de natuur om hen heen, de omliggende bronnen uitputten is dus geen optie. Op verzoek van de vrouwen, die het gebied op hun duimpje kennen, trekken de families voort. Op zoek naar een volgende plek met beschutting, water en genoeg wild om op te jagen. 

 

Door een lange reis, hoog opgelopen verwachtingen en een redelijke grote taalbarrière, ondanks de goede vertaler aan onze zijde, ben ik licht nerveus terwijl wij het kamp benaderen. Onder een grote acaciaboom zitten alle vrouwen met hun kinderen. Mijn handen jeuken om meteen foto’s te maken, maar we besluiten onze camera’s in de auto te laten, om een echte eerste ontmoeting niet in de weg te zitten met een groot, voor hen onbekend, apparaat. Klikkende geluiden vliegen ons om de oren en al snel heeft elke vrouw ons begroet, een hand of zelfs een knuffel gegeven.

Water en roddels

De vrouwen nemen ons mee in hun zoektocht naar wortels van bepaalde planten, besjes en water. We stoppen geregeld en zij beelden uit waar zij alle natuurproducten voor gebruiken. Van voedsel tot medicijnen. Bijzonder. Waar wij alles gemakkelijk in de supermarkt halen en meestal geen idee hebben waar het vandaan komt of wat erin zit, halen zij alles uit hun ‘achtertuin’. Een van de vrouwen stopt en roept iets naar de groep. Ineens staan we te kijken naar een plek op de grond, die in mijn ogen identiek is aan de grond vier meter verderop. De eerste knollen komen echter al tevoorschijn na enkele minuten graven. Dit moment lijkt niet alleen te draaien om het vinden van eten.  Na een lachbui die bijna elke Hadzabe vrouw in tranen laat uitbarsten, vraag ik onze vertaler Yusuph waar zij zo om lachen. Hij bloost. ‘Ze roddelen. Over de mannen.’  Nieuwsgierig vraag ik verder. Hij vertelt dat een van de mannen gisterenavond een van de vrouwen probeerde te versieren. Zij reageert nu fel en lachend. Hij moest toch niet denken dat hij een kans had bij haar!

Ik lach. Ondanks de voor de hand liggende verschillen in cultuur en taal, zijn er ook duidelijke overeenkomsten. Ja, hun overlevingskans in dit stuk van de wereld is aanzienlijk groter dan die van mij, maar ze behandelen ons met respect en bijna als familie. Misschien zijn we helemaal niet zo verschillend, hoewel zij de ‘moderne maatschappijen’ in de nabijgelegen dorpen al als verloren beschouwen. Ver verwijderd van hun eigen cultuur en geschiedenis en ver verwijderd van de mensen die zij eens waren. Ik moet toegeven dat ik mezelf ook wel een paar keer verloren heb gevoeld in dit leven en dat doet me besluiten hen te helpen met het dragen van een van de met vijftien liter water gevulde emmers. De Hadzabe hebben verder geen eigendommen, maar maken dankbaar gebruik van het weinige wat ze hebben: een paar emmers, gescheurde kleden en messen. Na een wandeling van anderhalf uur naar de dichtstbijzijnde waterbron is de emmer nog steeds leeg. De kinderen spelen er vrolijk mee. 

Hechte gemeenschap

In het regenseizoen is de waterbron een rivier, maar nu staat hij droog. De vrouwen volgen de route van de rivier totdat zij op een totaal willekeurig uitziende plek beginnen te graven. Op anderhalf meter diepte vinden zij waar ze naar zochten: grondwater. Nadat iedereen zich heeft gewassen en alle emmers gevuld zijn, aanvaarden we de terugtocht naar het kamp. Tijd om mijn stukje bij te dragen. Op mijn hoofd dan maar. Dit viel nogal tegen. Vijftig minuten lang met een hele zware emmer op je hoofd en je armen in de lucht om deze in evenwicht te houden. Ik heb ontzettend veel respect voor deze vrouwen die dit dag in, dag uit doen. Niet alleen dragen ze water, enkele vrouwen dragen ook nog kinderen op hun rug of buik. Met bewondering kijk ik naar dit tafereel en realiseer ik mij dat deze kinderen echt door het hele dorp worden opgevoed.

De Hadzabe kennen geen hiërarchie; ze leven echt met elkaar. Kinderen worden op jonge leeftijd al betrokken bij de belangrijke taken van het leven hier. Rond de leeftijd van drie jaar wordt hen aangeleerd hoe zij een pijl en boog voor zichzelf kunnen maken. Wederzijds respect en liefde heerst hier. 

De volgende dag distantieer ik mezelf kort van de groep en loop ik de bosjes in. Het is bijzonder hoe ik op mijn gemak ben in de natuur op dit moment. Zonder bereik of internet om contact te leggen met het thuisfront en alleen een paar – laten we eerlijk zijn – vreemden op deze reis om ervaringen mee te delen, nemen mijn emoties de overhand. Tranen rollen over mijn wangen, terwijl ik uitkijk over een vlakte, bezaaid met bijna nep uitziende rotsen, gigantische bomen en de scherpe struiken. De lucht achter dit schouwspel kleurt paars en ik kan alleen maar huilen. Ik ben niet verdrietig, in tegendeel zelfs. Ik ben blij en dankbaar voor de plek waar ik sta en de obstakels die ik overwon om daar te komen. Het meest nog ben ik ontroerd door deze prachtige mensen die zichzelf de Hadzabe noemen. Dat zij hun water en eten met ons delen, terwijl dit voor hen een luxe is, spreekt boekdelen over hun levenswijze en karakters. 

N’Ubeya

Het is de laatste dag en de avondlucht verandert in alle mogelijke kleuren, die samen de perfecte achtergrond vormen op onze foto’s van de Hadzabe. Het komt allemaal samen. Regendruppels beginnen langs mijn gezicht te stromen, de rotsen die we eerder hadden beklommen voor het perfecte uitzicht, veranderen in glijbanen. Mijn eens witte shirt wordt steeds donkerder groen en met moeite houd ik mijn camera veilig en droog. We hebben de Hadzabe in de afgelopen week beter leren kennen. Dat voelt speciaal, doordat ze niet veel mensen van buiten hun stam toelaten. Dat in combinatie met dat ultieme gevoel dat je maar heel af en toe ervaart wanneer je lichaam volschiet met adrenaline om de ‘perfecte’ foto te schieten en de rust die daarop volgt als het is gelukt. Ik laat mijn camera zakken en geniet van de regen, dat gebeurt me in Nederland bijna nooit.

N’Oye roept iets naar de andere mannen en iedereen daalt snel af. Mijn vragende blik kruist wederom die van Yusuph en hij legt snel uit dat de met gif gevulde speerpunten niet tegen regen kunnen en dus beschermd moeten worden. Na wat klimmen, klauteren en voornamelijk glijden, volgen we de Hadzabe mannen naar een grot waarin ze een voor een beginnen te zingen en dansen. Dansen om het leven te vieren, de lucht te bedanken voor de regen – en dus douche en drinkwater – en om het gezelschap te vieren waarin we ons bevinden. In dat moment, voor het eerst in een hele lange tijd, denk ik niet aan morgen of de dag daarna. Of aan iets anders. Ik ben gewoon in het moment. Ironisch dat we daarvoor in Nederland soms dure mindfulnesscursussen volgen.

Ik geloof dat we allemaal iets proberen te doen in dit leven om vereeuwigd te worden. In de vorm van werk, geld, kunst, religie of kinderen. Iets dat we achterlaten, waardoor we herinnerd zullen worden. Zodat het lijkt alsof we niet voor niets leefden en een stukje van ons voortleeft. Dit is een van de redenen waarom ik fotografeer; het vastleggen van momenten, zodat deze niet vergeten zullen worden. In een eerder gesprek met een paar oudsten van deze familie, vroeg ik hen wat hun dromen zijn. Een persoonlijke vraag, dachten we. Yusuph legde stotterend uit wat we wilden vragen. Met moeite, omdat hier geen rechtstreekse vertaling voor ‘dromen’ is. Toen hij erin slaagde, keken de Hadzabe ons aan, begonnen te lachen en zeiden: ‘We leven in het nu en denken alleen over vandaag, heel misschien ook morgen.’ Dit kwam echt binnen, doordat ik me realiseerde dat hun leven korter is en meer gevaren kent. 

Vereeuwigd willen worden lijkt ineens iets heel westers. Altijd maar meer willen, onze status publiekelijk delen op zoek naar bevestiging, over de toekomst dromen. Ondertussen laat ik het moment waarin ik ben aan me voorbij gaan. De Hadzabe zijn trots en dat begrijp ik. Hun levensverwachting mag dan iets korter zijn dan de onze,, maar de Hadzabe leven elke dag alsof het hun laatste is.  N’Ubeya (’N- klikgeluid -oebeeja’; Hadzabe voor dank jullie).

Samen met getalenteerde fotografen Mike Holtby, Ed O’mahoney en projectmanager Kieke van Maarschalkerwaart, ga ik deze door de Jimmy Nelson Foundation georganiseerde reis aan. De Jimmy Nelson Foundation creëert, door middel van projectreizen, bewustzijn over inheemse volkeren en hun cultuur.  Visuele verhalenvertellers, fotografen en filmmakers proberen in deze reizen een beeld te schetsen van de cultuur en levenswijze van deze stammen door echt met hen samen te leven. 

Dit artikel gaat over:

Voor het laatst bijgewerkt op: 02.10.2020