Over hoge toppen en langs diepe dalen in de Himalaya

De Mount Everest, in de Nepalese Himalaya, is de hoogste berg ter wereld. Jaarlijks trachten een kleine negenhonderd klimmers de top van de wereld te bereiken. Vele duizenden mensen hiken in een dag of veertien naar Everest Base Camp. Daar wilde ik er één van worden.

Over hoge toppen en langs diepe dalen in de Himalaya by Anna Korenromp

Anna Korenromp

Fotograaf:Sergey Pesterev

Het is nog donker. IJskoud. Ik ben moe, heb pijn aan mijn voeten en ik heb al een week dat stomme wondje aan mijn vinger dat door de ijle lucht niet wil helen. Bij elke stap die ik zet, voelt het alsof ik er al een marathon op heb zitten, niet alsof we vandaag begonnen zijn. 

Ik ben een paar uur lopen verwijderd van Everest Base Camp, het startpunt van de klim naar de top van Mount Everest, de hoogste berg ter wereld. Het is het hoogste punt dat je kunt bereiken zonder gids en zonder er tienduizenden euro’s voor neer te tellen. De klim naar de 5.364 meter hoogte van Base Camp is voor mensen die nog naar de top gaan vast een peulenschil. Ik vind het echter helemaal geen peulenschil.

Nog een paar uur en dan zijn we er. Dat houdt me op de been. Hier hebben we de afgelopen elf dagen voor gelopen. Al die mensen die helemaal naar boven zijn geweest, begonnen hier pas! En ik? Waarom wilde ik dit ook alweer?

Terug naar het begin

Elf dagen eerder vloog ik samen met mijn vriend van de Nepalese hoofdstad Kathmandu naar Paphlu , een dorpje aan de voet van de Himalaya, op zo´n 2,5 kilometer hoogte. Hier begon ons avontuur. We gingen met z´n tweeën. Geen gids, geen dragers, alleen hij en ik, twee backpacks en een stapel mueslirepen. Het gros van de wandelaars vliegt overigens naar Lukla Airport, maar door de harde wind die dag was dit geen optie. Om te mogen vliegen naar Lukla moeten de weersomstandigheden meewerken; het is namelijk nogal een uitdaging om er te landen. De landingsbaan van Lukla is slechts 527 meter lang (ter vergelijking; alle landingsbanen van Schiphol zijn minimaal 3400 meter lang). Daarbij ligt Lukla op 2900 meter boven zeeniveau, waardoor de lucht vrij ijl is. Tenslotte ligt het vliegveld tussen een diepe afgrond aan de ene kant van de landingsbaan, en een flinke bergwand aan de andere kant. Met recht het gevaarlijkste vliegveld ter wereld. 

Foto: Anna Korenromp

Landen op het vliegveld van Paphlu is minder spannend, maar betekent ook dat we twee dagen langer moet wandelen naar Base Camp. Op het moment dat we besloten ‘dan maar naar Paphlu te vliegen’, dacht ik nog dat die extra dagen niet zoveel uit zouden maken. Toen we na twee zware en lange wandeldagen allemaal frisse wandelaars in Lukla aan zagen komen, kreeg ik er toch een beetje spijt van. 

De ijle lucht in

Vanaf het moment dat we ons aansloten bij de vele andere wandelaars die vanuit Lukla kwamen, veranderde het landschap elke kilometer. Waar we de afgelopen dagen vooral door het bos hadden gelopen, kwamen we nu langzaam in de buurt van de boomgrens en zagen we vooral uitgestrekte vlaktes met hier en daar een enkele struik. Het werd kouder en ik voelde bij elke stap dat er minder zuurstof in de lucht zat. Ik was sneller buiten adem en had ‘s ochtends steeds hoofdpijn. Omdat het steeds kouder werd, moest ik mezelf verplichten om genoeg water te drinken. Hoogteziekte lag vanaf dit moment echt op de loer. 

Foto: Anna Korenromp

Besneeuwde toppen

Rond dag zes bereikten we de 4000 meter grens. Vanaf hier was de vegetatie echt verdwenen. Om ons heen doemden enorme bergtoppen met hagelwitte sneeuw op, terwijl wij door een soort maanlandschap liepen. In dit deel van de Himalaya ligt niet alleen de hoogste berg ter wereld, ook (onder andere) de nummer vier, vijf en zes uit de top tien. Vanaf hier werd het echt zwaar om vooruit te komen. Hoewel we ongeveer vijf uur per dag wandelden (je mag niet te veel meters stijgen per dag, daarom loop je vrij korte afstanden), kon ik aan het einde van de dag echt niet meer. Ik sleepte mezelf steeds het dorpje in waar we gingen overnachten, hijgend en puffend. Die dorpjes stelden op een gegeven moment trouwens niet veel meer voor dan een paar guesthouses en hier en daar een restaurantje. Op deze hoogte woont niemand voor de lol, alleen de mensen die (een deel van het jaar) leven van dit trekkerstoerisme. 

Foto: Anna Korenromp

Porters

Letterlijk álles wat in zo´n dorpje aanwezig is, is naar boven gedragen door yaks (een soort buffels), of door mensen, de zogenaamde porters. Vaak kleine, pezige Nepalese mannetjes, die ontzagwekkende hoeveelheden spullen op hun rug dragen. Van elektriciteitskabels tot tweehonderd flesjes cola, en van een complete kachel tot een stapel matrassen. Dat betekent wel dat je bijvoorbeeld in Lobuche (4,900 meter boven zeeniveau) kunt tafelvoetballen, en dat je, als je dat zou willen, óp Everest Base Camp, een koud biertje kunt drinken. Niet dat ik daar behoefte aan had, maar het kán.

Foto: Anna Korenromp

We zijn er

De laatste dag was niet leuk. We vertrokken vóór zonsopgang vanuit Lobuche en we zouden in theorie na drie uur in Gorakshep moeten zijn, het laatste dorpje voor Base Camp. Omdat we een dag extra in Lobuche waren gebleven om te wennen aan de hoogte, kwamen we veel mensen tegen die we onderweg al hadden ontmoet. Zij liepen een dag voor op ons, en waren dus op de terugweg. Iedereen zei  hetzelfde; ‘achter deze heuvel ben je er.’ Helaas was dat de eerste tien keer niet het geval, en kwam er steeds weer een nieuwe heuvel waar we, volledig buiten adem van de hoogte, overheen moesten klimmen. Bijna zes uur na vertrek waren we eindelijk in Gorakshep; een uitgestrekte vlakte met daarop twee flinke hutten die als guesthouse fungeerden. Verkleumd en uitgeput bestelden we een lunch, waarna we ons klaar maakten voor de laatste uren klimmen. Nu waren we er écht bijna. 

Foto: Anna Korenromp

Tijdens deze laatste kilometers kreeg ik een hyperventilatie-aanval. Omdat er zo extreme weinig zuurstof in de lucht zat, kon ik na de zoveelste uitputtende klim niet meer op adem komen. Hijgend en piepend kwam ik op Base Camp aan. Ik heb oprecht bijna opgegeven hier. Zo dichtbij het einde. Ik kón niet meer. Na een peptalk van vriendlief, nog maar een mueslireep en de zoveelste halve liter water, was het tijd voor de laatste meters. 

Na drie uur waren we er. Omdat we buiten het klimseizoen op Base Camp waren, was er niemand. De verlaten rotsvlakte, omringd door een aantal van de hoogste bergen ter wereld, was ondanks alles indrukwekkend. We zagen aan één kant de beruchte Khumbu Icefall, ongeveer het gevaarlijkste stuk van de route naar de top, en vonden hier en daar een Nepalees vlaggetje als overblijfsel van het kamp. De wind cirkelde tussen de bergen. Het idee dat hier sinds een kleine honderd jaar zoveel mensen zijn gestart aan de tocht van hun leven, waarvan er ook zoveel nooit zijn teruggekeerd, maakte deze plek zo bijzonder en ook een tikkeltje luguber tegelijk. Ik wilde niet te lang blijven, want ik had behoefte aan zuurstof, eten, een bed en de afdaling. 

Foto: Anna Korenromp

Kala Patthar

De volgende ochtend stond nog een laatste klim op het programma. Het uitzicht vanaf Base Camp is mooi, maar je ziet één ding niet: Mount Everest zelf. Veel mensen klimmen de volgende dag nog de nabij gelegen berg Kala Patthar op, om de top van Everest alsnog te zien. Dat betekent wel dat je het beste rond vier uur in de ochtend kunt beginnen. Ik had er niet echt behoefte aan om de berg van 5644 meter te trotseren, maar toen mijn vriend in het donker vertrok, besloot ik toch ook om op te staan. Na elke twintig stappen moest ik een minuut uithijgen, waardoor ik bijna niet vooruit leek te komen. Omdat het bewolkt was, en je dus waarschijnlijk toch niets zou kunnen zien boven, vond ik het al vrij snel mooi geweest. Mijn vriend haalde de top wel, en toen de wolken alsnog wegtrokken had hij een prachtig uitzicht. Ja, toen was ik wel jaloers. 

Foto: Martin Jernberg/Unsplash

De afdaling

Opgelucht en intens tevreden begonnen we na twaalf dagen bikkelen aan de afdaling. Het woord ‘afdaling’ is overigens relatief, want hoewel je vele meters daalt zijn er nog genoeg heuvels te bedwingen. Het is heftig om te merken wat de hoogte met een menselijk lichaam doet. De hoofdpijn, de kortademigheid en bijvoorbeeld een wondje aan mijn vinger dat niet wilde helen. Elke meter die je vervolgens daalt, heeft een tegengesteld effect. Ik voelde me bij elke stap beter. Na twee lange dagen kwamen we aan in Lukla. Nu hadden we wél een biertje verdiend, we hadden het nu tenslotte pas helemaal gehaald. En omdat het een biertje was waar geen kleine Nepalese mannetjes mee hadden hoeven sjouwen, smaakte ´ie nog lekkerder! 

Dit artikel gaat over:

Voor het laatst bijgewerkt op: 22.10.2020