Te Puru Track: solo-wandeltocht in Nieuw-Zeeland

Diep in de bossen van Nieuw-Zeeland komt Charlotte van Wateren zichzelf tegen. Op de Te Puru Track, waar ze zich een weg baant over kronkelige paden en slaapt onder de sterrenhemel, gaan sprookjes en horrorverhalen hand in hand.

Te Puru Track: solo-wandeltocht in Nieuw-Zeeland by Charlotte van der Wateren

Charlotte van der Wateren

Fotograaf:Mark Maer

Duizenden witte stipjes aan de zwarte hemel. Met blote voeten door het vochtige gras. De wind jaagt over de bergtoppen, maakt dat de bomen ruisen en veegt mijn haren uit mijn gezicht. Ik zit diep weggedoken in mijn kleren. Het is koud, maar ik geniet van de natuur en de rust in het Coromandel Forest Park. Daar ben ik voor gekomen. Stiekem ben ik opgelucht dat ik vannacht niet alleen in de Crosbies hut slaap. Twee groepen wandelaars kwamen net voor het invallen van het donker aan bij de hut. Een gezin van vier en drie studievrienden uit Auckland. Met deze drie mannen heb ik een gezellige avond gehad: biertjes gedronken, onze wandelavonturen van vandaag besproken, spelletjes gespeeld en uiteraard sterren gekeken. Het was een prettige afwisseling van de spanning op het Tataru Track. Ook is het een verassende wending van mijn tweedaagse wandelplan. Morgen hoef ik niet hetzelfde pad terug naar mijn auto te lopen. Ik vervolg mijn tocht alleen via het Te Puru Track, naar een van de auto’s van de mannen. De mannen nemen het Tataru Track terug naar hun andere auto. We hebben afgesproken dat ze mij een lift terug naar mijn auto geven. Ik ben blij dat ik nu twee verschillende paden kan lopen, zoals ik zo graag wilde. Ik voel een borrelende nieuwsgierigheid naar al het moois dat ik morgen in de wildernis mee zal maken.

Foto: Charlotte van der Wateren

Het bruine pad onder mijn wandelschoenen kronkelt tussen de bomen door. Niet zoals gisteren; lange donkere lanen. Nee, het zijn korte rechte stukken, afgewisseld door scherpe bochten naar links en rechts. De lage, dunne boomstronken om mij heen zijn ongeveer net zo groot als ik. Bij elke windvlaag zwiepen ze zachtjes heen en weer. Ik realiseer mij dat ik mij veel prettiger voel in dit lichte bos, dan het donkere bos van gisteren. Ik sta even stil voor een modderpoel. Ik heb al ondervonden dat ik er niet, net zoals gisteren, gewoon doorheen kan banjeren. Zojuist kwam ik namelijk vast te zitten in een van de poelen. Toen ik mijn voet optilde, klonk het als een zuignap. Nu analyseer ik de aarde om elke poel. Zijn er droge stukken aarde? Liggen er stukken boomstronk in de poel? Zijn er bomen waar ik mij omheen kan slingeren? In andere woorden: wat is mijn beste route naar de andere kant van de modderpoel? Als een kind vol plezier analyseer ik het pad rond de poelen en geniet ik van mijn momenten in dit jonge bos. 

Na een tijdje op afdalende en vlakke ondergrond te hebben gelopen, begin ik langzaam te klimmen. Mijn ademhaling versnelt. Tussen de bomen voor mij zie ik het wit van wolken. Bijna bij de top, weet ik. Ik stop voor een slokje water en draai mij om. Mijn ogen worden groter en mijn mond valt open. Ik kijk uit op de volgende bergkam. En de volgende. Met daarachter de berg, die gisteren door een van de drie mannen tot de Tafelberg is gedoopt. Daaromheen liggen meer bergen bezaaid met de zilveren boomvaren, het blad van deze plant is het nationale symbool van Nieuw-Zeeland. Achter al die lagen bergen, is de oceaan te zien. De lucht is afwisselend helder blauw en wit. Ik vul mijn longen met berglucht. De binnenkant van mijn neusvleugels prikken door de aanraking van de koude en frisse lucht, waarna ik als een ballon leegloop en een zucht mijn mond verlaat. Ik neem nog een slok water en neem alle kleuren groen, wit en blauw in mij op. Ik hoor het ruizen van de wind door de bomen. Al dat groen wiegt rustig heen en weer op elke windvlaag. Het is net een bewegend schilderij. Een zee van groen. Ondanks mijn vermoeide spieren en blaren, voel ik mij heerlijk ontspannen. Een glimlach verschijnt op mijn gezicht. Warmte verspreidt zich vanuit mijn buik door mijn hele lichaam. Elk celletje in mij trilt van blijdschap en geeft het door aan het volgende celletje. Hiervoor ben ik alleen op pad gegaan. 

Foto: Charlotte van der Wateren

Ik slinger mijn rugzak op mijn rug en vervolg mijn weg. Even later ik bij een groen paaltje met in gele letters ‘CROSBIES CLEARING’ erop. Ik herken de plek van een foto die ik gisteravond in een pamflet met informatie over dit gebied heb gezien. Een rilling gaat door mijn hele lichaam. In mijn gedachten ga ik terug naar dat moment. Ik zit met mijn rug tegen de houten planken van de omheining van het helikopterplatform. Ik heb al mijn kleren aan. Drie lagen. Toch voel ik elke windvlaag tot in mijn botten. Koud. Mijn voeten zijn omringd door mijn favoriete rode hartjes-sokken. Dit keer geen wandelschoenen, maar roze slippers die ik in de hut heb gevonden Mijn spieren zijn gespannen en moe van de vijf uur wandelen. Mijn hoofd draait op volle toeren. Continue poppen doemscenario’s op. Wat als iemand mij achtervolgde en mij straks iets aandoet? Wat als ik morgen val en niet meer verder kan lopen? Wat als ik de weg kwijtraak? Wat als ik verrast word door noodweer? Wat als ik weer een wild zwijn tegenkom en het grote zwarte beest dit keer recht op mij af rent? Bij elke ‘wat als’, klopt mijn hart heftig in mijn borst. Mijn beenspieren spannen zich aan. Mijn hoofd vertelt verhalen waar ik bang van word. Ik kijk om mij heen,zie de bergen, sluit mijn ogen en adem in. Even houd ik mijn adem vast. Tevergeefs probeer ik te ontspannen en mijn hoofd tot rust te manen. 

Geïrriteerd adem ik uit en open mijn ogen. Zo’n vijf meter voor mij vliegen twee vogels lustig van struik naar struik. Waar ik normaal een vrolijke bol in mijn buik zou voelen, voel ik nu een kille spanning. Ik kan hem niet van mij af slaan. Het pamflet voor mij geeft hopelijk wat afleiding. Ik lees over de families die vroeger hoog in de bergen woonden. Het was een hard en koud leven. Het vee kon het vaak niet aan. Toch heeft een handjevol mensen hier gewoond. Voornamelijk van mijnbouw. Ik merk dat mijn spieren zich lichtelijk ontspannen en lees verder. In de laatste alinea lees ik over een jong Zweeds koppel, dat hier tijdens hun vakantie overnacht. Ze zijn maanden spoorloos geweest. Tot zijn lichaam kilometers verderop, vast gebonden aan een boom, werd gevonden. Hevig aangedaan en dood. Mijn hart bonkt heftig. Mijn kaken spannen zich aan. Ik kijk angstig om mij heen en zie niemand. Ik lees verder. Het tweetal in de hut achter mij kwam een op de vlucht geslagen crimineel tegen. Haar lichaam is nooit gevonden. Het vermoeden heerst dat ze in een van de oude mijnen is, maar ook daar is tot nu toe niets gevonden. De crimineel is recent vrijgelaten en woont nu in Auckland.

Foto: Charlotte van Wateren

Met meer gemak dan gisteren schud ik deze onprettige gedachte van mij af. Ik volg het pad richting het westen. Onderweg kom ik verschillende paddenstoelen tegen. De felle kleuren zijn verfrissend tussen al het groen en bruin. Als eerste zie ik verschillende knalrode paddestoelen. Laag bij de grond. Een hele bubs bij elkaar. Ik stop, maak een foto en ga weer door. Enthousiast volg ik de oranje driehoekjes tussen alle boomstronken de helling af. Het bos is inmiddels veranderd. De bomen zijn hoger en groen van het mos. De lucht is vochtig en voelt kouder aan. Ik stuit op bruine zwamachtige paddenstoelen met een witte rand. Gezamenlijk groeien ze op een omgevallen boomstam. De witte streepjes zijn net golven tegen het groen van het mos en het bruin van de paddenstoel en de boomstam. Even verderop herken ik de paddenstoel van het verhaal van een van de drie mannen;en lange steel met een felblauw hoedje. Onbewust hou ik meer afstand van deze eenling. De extreem felle kleur maakt dat ik op mijn hoede ben. Na een lang stuk dalen, sta ik gefascineerd te kijken naar een witte zwam een paar meter boven mijn hoofd. In mijn ooghoek zie ik iets wegschieten. Ik voel mijn spieren aanspannen en ben meteen alert. Het blijkt mijn favoriete vogeltje in Nieuw-Zeeland te zijn: de fantail. Een klein bruin vogeltje, met een gele buik en een zwarte kop, ter grote van een mus. Alleen veel interessanter door hun danserige bewegingen in de lucht. Ik heb geluk. Het kleine ding spreidt zijn staartveren uit. Een witte waaier komt tevoorschijn, waar hij schichtig mee zwaait. Een fascinerend tafereel. Met een glimlach kijk ik het beestje na wanneer hij met de helling mee naar beneden vliegt. Met tegenzin daal ook ik verder af. Mijn spieren sputteren tegen, mijn voeten zitten onder de blaren en de pijn is niet leuk meer.

Foto: Karl Anderson/Unsplash

Na een lange tijd doorzetten en klimmen over omgevallen boomstronken, kom ik aan bij een richel. Beide wanden zijn ongeveer een meter hoog. De richel is breed genoeg voor mijn heupen. Ik leun op mijn armen, slinger mijn voeten naar voren en land zachtjes in een berg bladeren. Zo leg ik de laatste meters naar beneden af. Het is een verademing om vlak te lopen. Ik begin zachtjes te neuriën. Al snel kom ik bij een rivieroversteek. Dit is waar mijn vriend mij voor waarschuwde. Een van zijn collega’s is tijdens zo’n oversteek overvallen door een plotselinge waterstijging, meegesleurd door de krachtige stroom en overleden. Wat als het boven op de berg al regent, zoals het weerbericht voorspelde? Wat als de enorme watermassa nu onderweg is naar beneden en mij zometeen meesleurt? Vraagt een angstige stem in mijn hoofd. Even voel ik mij ongemakkelijk, klein en nietig. Ik kijk om mij heen, sta midden in de rivierbedding, elke voet op een rots, omringd door stromend water. Ik tel nog vier stenen naar de andere oever. Met mijn rechtervoet controleer ik of de volgende steen stabiel in de rivierbedding ligt. Ik verplaats mijn gewicht naar mijn rechterbeen. Bij elke stap trillen mijn spieren. Aan de andere kant van de rivier zet ik mijn handen in mijn zij en kijk eens goed in het rond. Overal om mij heen is het groen van de bergen, die rustig boven mij uittorenen. Aan elke oever staan Pampas planten. Het zijn geel-bruin-achtige pluimen op hoge bamboeachtige stokken. Er is geen grijze dreigende lucht te zien, geen regen op komst. Ik glim, geniet van dit natuurschoon en voel mij weer ontspannen. Even heb ik een impuls om mijn kleren uit te trekken en een frisse duik te nemen. Ik doe het niet. Mijn schone kleren liggen in mijn auto. Bovendien staan de drie mannen op mij te wachten. Ik draai mij om en volg het pad dat via het dal naar zee leidt. Bij de derde oversteek, kom ik het laatste bordje van deze tocht tegen. Zodra ik mij omdraai om de stenen in de rivierbedding te analyseren, zie ik drie gedaantes aan de andere oever zitten. Een arm gaat de lucht en beweegt heen en weer. Er ontstaan een flauw glimlachje op mijn gezicht. De drie mannen. 

Foto links: Charlotte van Wateren, Foto rechts: met dank aan Mark Mear, een van de drie mannen, voor het delen van zijn fotografie talent.

Even later zet ik mijn tas neer en ga ik op een scherpe wiebelige steen zitten. Met pijn aan mijn hielen en kleine linkerteen trek ik mijn schoenen uit. Voorzichtig laat ik mijn voeten in het water zakken. Wanneer het koude water mijn huid aanraakt, verkrampen mijn spieren. Toch is het ook heerlijk ontspannend. Mijn lichaam en spieren zijn moe, opgelucht dat ze niet meer hoeven te ploeteren. Ook voel ik verdriet, dat dit avontuur ten einde is. Dat ik zometeen weer richting de stad ga en niet meer omringd ben door de rustgevende schoonheid van de natuur. En trots. Trots dat ik dit gedaan heb, mijn angst overwonnen heb. Ik zou het zo over doen. Vooral op deze manier, alleen wandelen in de natuur en samen de nacht doorbrengen in een hut. Dat laatste was niet gepland, wat het alleen maar leuker maakt. 

Dit artikel gaat over:

Voor het laatst bijgewerkt op: 23.10.2020