Hoe 3 dagen in een Franse bouwval mijn leven veranderde

Met een rode Twingo door haarspeldbochten in winters Frankrijk. Aan het einde van een smal dal een gehucht waar de tijd heeft stilgestaan. Opeens wordt het me heel duidelijk wat ik in mijn toekomst wil.

Hoe 3 dagen in een Franse bouwval mijn leven veranderde by Paulien van der Werf

Paulien van der Werf

Fotograaf:Paulien van der Werf

“Ik weet wat ik wil met mijn leven. Ik wil een bouwval kopen in een gehucht in een smal dal in Zuid-Frankrijk en daar elke winter doorbrengen. En ik wil leren klussen zodat ik een ruïne op kan knappen”, app ik mijn beste vriendin. Ze reageert verbaasd; ik heb toch twee linkerhanden? En ik wilde toch leven als een digital nomad en met mijn Twingo door heel Europa reizen? Ja, maar dat was voordat ik drie dagen doorbracht in een gehucht in de Zuid-Franse provincie Haute Languedoc.

Het is begin februari en mijn vriend stapt in Toulouse uit de bus. Hij merkt iets op over de overgang van het natte, koude Nederlandse weer naar het milde, zonnige Franse weer en ik besef me hoe blij ik ben de winter in Nederland over te slaan. In mijn rode Twingo rijden we richting het zuidoosten, kriskras door het groene gebied dat we op de kaart zien. We hebben geen idee wat we onderweg tegen zullen komen, we laten ons verrassen. 

We rijden een uur lang tussen heuvels bedekt met weilanden zo frisgroen als die in Friesland. Niet helemaal hoe ik me Zuid-Frankrijk voorgesteld had. Dan bereiken we de top van een bergpas, met voor ons een uitgestrekt landschap dat wél helemaal aan de verwachtingen voldoet. Zo ver we kunnen kijken, zien we heuvels in allerlei slingerende vormen. Hier zijn de hellingen bedekt met bomen en heide, allemaal roodbruin. Het enige groen komt hier van het mos dat de rotsige ondergrond bedekt. Verspreid over het landschap zien we grote stukken rots die het landschap een onherbergzaam sfeertje geven. De weg slingert met haarspeldbochten door het landschap naar beneden. 

Via een oude brug rijden we het dorp Olargues in. Dit dorp bestaat uit huizen met muren in lichte pastelkleuren en oranje daken. In dit toeristische dorp kan je ’s zomers waarschijnlijk over de koppen lopen, maar nu is het er doodstil. Je kan alleen te voet de kern van het dorp in. Mensen gebruiken de straat als voortuin, dus je ziet overal planten en versieringen uit de lokale pottenbakkerij. We klimmen over de straten naar de top van de berg waartegen dit dorp gebouwd is. Hier staat een oude kerktoren die gerestaureerd wordt. Van de rest van het gebouw staan her en der nog wat halve muren overeind, waaraan duidelijk te zien is hoe het gebouw op de rotsen gebouwd is. De stenen volgen de vormen van de rots, waardoor het gebouw op de ongelijke grond toch rechte, even hoge muren kon hebben. 

Bij ondergaande zon rijden we vervolgens verder naar het volgende grote dorp, Roquebrun, waar we onze Couchsurfing host voor die nacht bellen. Vanaf dit dorp hebben we geen (telefoon)verbinding meer en moeten we navigeren aan de hand van zijn instructies. We rijden over een lange, smalle weg het dorp uit, de rimboe in. Vanaf het moment dat we het dorp verlaten, de vallei in, zien we alleen nog maar bomen. Bomen in het dal en bomen tegen de hellingen. We rijden helemaal naar het einde van het dal en vragen ons af wat we daar zullen aantreffen. Ik heb geen idee hoe ons verblijf van die nacht eruit ziet, maar begin te vermoeden dat het een vervallen jagershut in het bos is. Dan zien we opeens een schattig dorpje opdoemen. De huizen en straten liggen bijna verticaal boven elkaar tegen een rotswand gebouwd, en onze gastheer komt glimlachend de helling af lopen. 

Hij geeft ons een rondleiding door het gehucht, waar maximaal vijftien mensen wonen (als iedereen tegelijk thuis is). Iedereen knapt hier zelf zijn huis op en er heerst een echt gemeenschapsgevoel. Eén van de gebouwen hebben ze gezamenlijk omgebouwd tot buurthuis, met barbecue en boekenruil. Nadat we elk straatje in dit doolhof gezien hebben, nodigt onze gastheer ons uit in zijn huis. Ook dit huis is duidelijk een opknappertje, en grotendeels in de staat waarin het een paar honderd jaar geleden ook was. De vierde muur van elke ruimte is een rotswand en de trappen zijn van steen. Aan het plafond hangt een peertje en het toilet is een ingebouwde emmer waarin je je uitwerpselen met zaagsel bedekt. Vier trappen en verdiepingen verder komen we bij de achterdeur, die leidt naar een hoger gelegen straat. Het voelt alsof we in een ruïne logeren, maar dan wel met stromend (warm) water en een koelkast. 

Na een verrassend comfortabele nacht adviseert onze gastheer ons om bij de Gorges d’Heric te gaan wandelen. Een mooie wandeling naar het plateau bovenop de omliggende bergen, langs een dal met een stroomversnelling. “Twee uur klimmen, anderhalf uur weer afdalen”, zegt hij, terwijl hij de route uitstippelt op de kaart. Dat lijkt ons goed te doen, en we beginnen vol motivatie aan onze klim door grijsgroene begroeiing. Een van rotsen gemaakte trap helpt ons de eerste paar honderd meter omhoog. Ik sta regelmatig in een bocht te hijgen en me af te vragen hoe hoog we al zijn geklommen. Zijn we er bijna? We horen een continue ruis van een rivier die onder ons stroomt, en verderop zit een roodborstje te kwetteren. Verder zijn we hier alleen en in stilte. 

Twee uur later blijken we nog niet op de top te zijn, maar nog honderd meter te moeten klimmen over kale rotsblokken. De zon brandt op mijn huid en zorgt dat mijn toch al bezwete hoofd nog warmer wordt. We merken dat we op de top aangekomen zijn als een koud windje ons doet rillen. We kijken om ons heen en ja hoor, we hebben het hoogste punt van het plateau, Mont Caroux, bereikt. Aan de ene kant zien we dennenbomen, aan de andere kant de kliffen met daarachter uitzicht over eindeloos veel bergen. Elke berg lijkt verbonden te zijn aan een centrale ruggengraat die door het landschap loopt. In de verte zien we de Middellandse zee en ik voel me even weer helemaal een toerist. 

9ef4aaaa-c4ce-4831-95b8-29b31cecc2ac.jpg

Onze lunch eten we in een donkere, griezelige berghut op het plateau. Eindelijk even uit die harde, gure wind die over het plateau blaast. Ik kijk voor de lol even op mijn telefoon naar de route, en zie dan dat het nog zo’n drie uur lopen is naar de auto. Het dubbele van wat ons verteld is, en de zon staat al laag. In een sneller tempo lopen we aan de zijkant van het plateau door kaal eikenbos naar beneden, langs twee geïsoleerd liggende gehuchten die gebouwd zijn in dezelfde stijl als ons logeeradres. Eenmaal beneden aangekomen volgen we een uur lang een verhard pad langs de rivier. Helder blauwgroen water stroomt tussen witgrijze stenen terwijl de zon nog net de toppen van de achterliggende bergen beschijnt. De maan staat dicht bij het plateau en we voeren het tempo nog wat op om voor het donker uit dit verlaten gebied te zijn. 

Compleet uitgeput en met verzuurde benen zitten we die avond aan tafel te genieten van een huisgemaakte, vegetarische tartiflette. Onze gastheer geeft ons tips over hoe je deze specialiteit van zijn thuisprovincie maakt. De aardappels moeten precies dun genoeg gesneden zijn. Doe vooral niet zuinig met de wijn. En: normaal maak je dit met spekjes, maar voor jullie vervangen we die door champignons. Het bleek het lekkerste gerecht dat ik in maanden gegeten had, het was het hongerig uitzitten van de lange bereidingstijd in de oven helemaal waard. De volgende ochtend nemen we met spierpijn afscheid van onze gastheer en het dorp waar hij woont. Ik ga terug naar mijn eigen verblijfsplaats met een helder beeld van waar en hoe ik in de toekomst wil wonen: in een ruïne in een gehucht aan het einde van een onbekend, doodlopend dal. 

Dit artikel gaat over:

Voor het laatst bijgewerkt op: 23.10.2020