Een avontuurlijke nacht in de Schotse wildernis

Een avontuurlijke nacht in de Schotse wildernis


Jun 8, 2020

De winter van 2018 in de Schotse Cairngorms was een strenge. Continue vrieskou en sneeuw, en wij besloten te kamperen in een niet geïsoleerd camperbusje. Na enkele nachten bibberen in de auto met ijspegels aan het plafond, komt onze redding aanrijden met een geweer en een Pitbull.

Het is pikkedonker, zo midden in de nacht en dertig minuten rijden vanaf de dichtstbijzijnde bebouwing. De man haalt zijn kettingzaag uit de auto en zegt dat we met hem mee moeten lopen, het bos in. Zijn pitbull volgt hem op de voet, wij ook. Hij zegt dat we op moeten passen voor ontbindende lijken van herten onder de vers gevallen sneeuw.

We ontmoetten Garry op een parkeerplaats in de bergen, waar we ons in de auto klaarmaakten voor nog een koude nacht. Hij parkeerde naast ons in zijn pick-up truck en we raakten aan de praat over de wilde dieren die in de Cairngorms leven. Hij zag mij een zoveelste pot thee zetten en vroeg of we het niet koud hadden ’s nachts. Ik antwoordde dat het inderdaad niet echt warm was, maar dat we het wel zouden overleven. Het begon weer zachtjes te sneeuwen en Garry zei dat we die avond nog extremer winters weer zouden krijgen.

“Ik weet een plek waar jullie kunnen overnachten, een oud gebouwtje zo’n dertig minuten rijden vanaf mijn huis, daar kunnen jullie slapen’.” Zo gebeurde het dat we achter de auto met de jager, zijn geweer en zijn Pitbull aan naar zijn huis reden. Even later deelden we in zijn huis een doorgezakte bank met hond Kaisha, die ons nogal verstoord aankeek omdat we met z’n tweeën het grootste deel van haar bank innamen. Garry stuurde zijn vrouw de keuken in om thee voor ons te zetten en soep met stokbrood voor ons op te warmen. We moesten tenslotte wel goed eten, vond Garry. Ondertussen struinde hij zijn huis af naar spullen die we misschien konden gebruiken die nacht. Een luchtbed, kooktoestel, zaag en een voorraad eten.  

Een paar uur en een liter sterke zwarte thee later stapten we in de camper om achter Garry’s pick-up aan een landweggetje op te rijden. Het was middernacht en bewolkt, dus we zagen niets dan duisternis. Er kwam maar geen einde aan dat slecht onderhouden pad, tot Garry naar ons gebaarde dat we moeten parkeren. Tijd om hout te halen, en daar stonden we dan naast een wildvreemde met een kettingzaag en een Pitbull in een donker bos, zonder enige idee waar we waren. “Ga nooit met vreemden mee”, hoor ik mijn moeder nog zeggen tegen mijn jongere zelf. En zeker niet met mannen met een moordwapen in hun handen in een donker bos in de middle of nowhere, vermoed ik.

Met onze handen vol hout liepen we naar het gebouw uit 1870. Het is een bothy, een Schotse berghut die publiek toegankelijk is voor mensen die in nood komen in de bergen. Bothy’s zijn meestal niet meer dan vier muren en een dak, maar deze is wat uitgebreider ingericht. Er is een apart kamertje waar we ons luchtbed neerleggen en bed opmaken, terwijl Garry in de woonkamer vuur maakte. In diezelfde kamer staat een ingezakte bank en een tafeltje met twee krukjes bij het raam, waar Garry een voorraad eten voor ons neerlegde voordat we hem uitzwaaiden.

Die nacht deed ik geen oog dicht. Door het grote raam zonder gordijn zag ik niets dan donker, en ik bleef maar denken dat er elk moment iemand binnen zou komen om me te vermoorden. Een paar uur eerder vertrouwde ik een man die best eens een seriemoordenaar had kunnen zijn, en nu maakte ik me druk over mannen die in verband met het slechte weer uit de bergen terugkwamen om in de bothy te schuilen. Mijn vriend gaf de schuld aan de liters zwarte thee die ik gedronken had.

Na uren woelen, werd het eindelijk licht buiten. Heel licht, want we waren omsingeld door een sneeuwstorm. We kregen de deur naar buiten niet eens open omdat de wind hem weer dichtduwde. Ik wachtte tot de storm ging liggen, voordat ik naar buiten kon om te plassen. Met je blote billen boven die sneeuw hangen is geen pretje, maar plassen met het gevoel dat je in een kerstkaart beland bent, is wel een bijzondere ervaring. Ook de auto was ingesneeuwd, dus we besloten nog een dag en een nacht te blijven. De rest van de dag waren we bezig met hout halen om de temperatuur binnen een beetje dragelijk te houden. We speelden spelletjes aan de tafel terwijl we kuddes van meer dan honderd edelherten langs zagen trekken. ’s Middags maakten we een wandeling over de oude weg, omgeven door bergen en verborgen onder een laag sneeuw zo zacht als wolken. Het was hier doodstil en ik had het idee dat mensen  duizend jaar geleden op dezelfde plek precies dit uitzicht hadden. Zouden zij er met dezelfde bewondering naar gekeken hebben? Of was dit voor hen veel normaler, omdat ze het moderne leven in een stad niet kennen zoals ik het ken?

Later op de dag kwam een local de bothy binnen lopen. Hij vertelde ons uitgebreid over de herten die in dit gebied leven. Een deel van hen blijkt sikahert te zijn, een hertensoort waarvan ooit een mannetje en een vrouwtje uitgezet werden in het gebied en waarvan de enorme aantallen nakomelingen nu een plaag vormen. Hij vertelde ook dat de vele dode herten in het bosje waar we ons hout halen, overleden zijn aan een longziekte, als gevolg van de extreme winter van dit jaar. Volgens hem zijn er teveel herten in dit gebied omdat ze geen natuurlijke vijanden hebben, dus deze winter is goed om de populatie wat uit te dunnen. Toch zou ik liever door het bos lopen zonder het risico elk moment op een lijk onder de sneeuw te gaan staan.

In het schemerdonker loop ik later naar de auto, waar ik een schim zie staan. Ik kijk nog eens goed en zie dat ik op drie meter afstand van een enorm mannetjeshert sta. We kijken elkaar aan en ik weet niet wie banger is. Hij voor mij, een mens in dit verder verlaten landschap, of ik voor hem, met zijn gewei en lichaam zo groot als een paard. Die nacht sliepen we in de auto vlakbij de bothy omdat ik niet weer een slapeloze nacht naast dat donkere raam wil hebben. Dan liever kou lijden tussen deuren die wel op slot kunnen.

Wanneer we de volgende dag terugrijden over het slingerweggetje richting de bewoonde wereld, zien we het uitzicht dat we de op de heenweg misten. Het is hier nog mooier dan rond de bothy. Oude bruggen over rustig kabbelende rivieren. Ruïnes met op de achtergrond ruige, besneeuwde bergen. Ik kan me voorstellen dat de bewoners vertrokken zijn. Wat moet het leven hier zwaar geweest zijn in de wintermaanden. Eenmaal terug in de bewoonde wereld, blijkt Garry niet thuis, dus we leggen de spullen met wat lekkers bij hem op de oprit en reden naar een theehuis. Met een plak worteltaart en een grote kop thee, bespreken we de drie geweldige dagen die we dankzij de gastvrijheid van een vreemde beleefden. Misschien ontstaan de mooiste avonturen wel als je naar je intuïtie luistert in plaats van naar je hoofd.


REACTIES


LEES MEER...

OVER TRAVEL DIARIES

ABOUT TRAVEL DIARIES