Zanzibar: Met de scooter over het regenboogeiland

Een Zanzibarees rijbewijs, een scooter en een hangmat. Dat is alles wat je nodig hebt voor een tocht langs de meest afgelegen stranden en gratis overnachtingen in een duizendsterrenhotel.

Fotograaf:Zoë de Goede

Op 11 december komen we laat aan in Stonetown, waar de verf afbladdert van oude gebouwen die verdrinken in de woekerplanten, de geur van chipata (iets tussen een pannekoek en brood) uit kleine steegje opstijgt en brommertjes toeteren voor elke bocht die ze nemen. Toen de sultan van Oman hier voet zette, bouwde hij een sprookjesachtig paleis. De Indiërs lieten een onuitwisbaar spoor achter van kruiden en puntige deuren met olifantenhaken erop, hoewel op dit eiland zelden of nooit een olifant gespot wordt. De gebouwen lijken verloren gelopen in een sprookje van Duizend-en-een-nacht.

Als mzungu (blanke) word je overal aangesproken door schijnbaar nieuwsgierige mensen. Hoe nieuwsgierig ze misschien ook zijn, het gesprek loopt altijd uit op twee vragen. ‘Taxi?’ of ‘Prison Island?’. Dat laatste moet een prachtig eiland zijn met parelwitte stranden en hemelsblauwe wateren waar je naar hartenlust kan snorkelen. Ooit werd het gebruikt als quarantaine voor mensen met gele koorts. Nu is het één van de grootste inkomstenbronnen voor inwoners van Stonetown, die toeristen erheen brengen met een vissersbootje.

Daar doen toeristen die geen toerist willen zijn natuurlijk niet aan. Wij willen zelf onze weg zoeken en niet achter een gids aan dribbelen, dus gaan we op zoek naar een vervoersmiddel. Op het terras van ons hostel zit lokale muzikant Coco op zijn gitaar te tokkelen voor enkele vrijwilligsters. Wanneer we hem vragen om een scooter, belt hij een vriend die weer een vriend belt, en voor we het weten staan we op het gemeentehuis om een lokaal rijbewijs aan te vragen. Daarvoor moet je het nodige smeergeld betalen, maar even later zijn we de trotse bezitters van een Zanzibari rijbewijs en huurscooter.

On the road

We rijden blindelings richting het zuiden en komen drie keer bij hetzelfde rondpunt terecht, alvorens de juiste afslag te vinden en de hectische buitenwijken van Stonetown achter ons te laten. De straat die we volgen, eindigt in Fumba. Voor ons had het net zo goed het einde van de wereld kunnen zijn. We parkeren de scooter bij een lokaal restaurant waar één tafel staat en het beschikbare eten (platte frieten, verlepte groenten en kip op een stokje) achter een glazen vitrine in de zon ligt. Daarachter enkel nat zand waarin baobabbomen groeien. Enkele uren later zijn de bomen verdwenen in het zeewater en is het strand nog slechts enkele meters breed. Kinderen plenzen in het water en wij wandelen langs de kuststrook, op zoek naar een rustig plekje met een paar droge bomen die onze hangmatten kunnen dragen. 

Na zonsondergang eten we de platgekookte frieten met kip en het smaakt zoals friet nog nooit eerder smaakte. Wanneer we bij onze hangmatten aankomen vallen we doodop in slaap met het geluid van de stijgende zee op de achtergrond. Uren later worden we wakker gemaakt door een zaklamp. Als ik mijn ogen opendoe, verwacht ik een mes, maar na een paar keer knipperen zie ik de eigenaar van het restaurantje. Onze scooter staat nog bij hem en zit niet goed op slot. "Mijn mensen zijn vriendelijk, maar we hebben een bruiloft vanavond. Dus je weet nooit wat er kan gebeuren”, zegt hij. Hij kent wel een binnenwegje waarlangs we de scooters naar onze kampeerplek kunnen rijden.

Paradijs

Na een ochtendduik pakken we de hangmatten in en stappen we weer op de scooter. Overal waar we komen vragen mensen ons waar we heen gaan. Nooit hebben we een antwoord. We volgen de weg richting Uzi Island, een schiereiland met een ondergrond die zo vochtig is dat onze scooter bijna in de modder blijft hangen. Na rechtsommekeer gemaakt te hebben, komen we terecht in Kizimkazi. De vrolijk samengebonden huisjes met daken van bamboeblaren en de overvloed aan spelende kinderen op het strand, geven mij de indruk in het paradijs terecht te zijn gekomen. Het is eb en het water komt niet verder dan onze knieën, houten vissersbootjes dobberen in het water. Mijn vriend papt aan met een rastafari die rijst met vis voor ons maakt in de bovenste verdieping van zijn restaurantje, dat bestaat uit bamboebladeren en -stokken. 

Voor die maaltijd betalen we (nog onbekend met de kunst van het afdingen) veel te veel geld, dus zonder een cent op zak gaan we op zoek naar een slaapplek. Na twee weggetjes in te slaan komen we terecht op een stuk grond dat ongetwijfeld is vrijgemaakt voor de bouw van een hotel. Nu staan er echter enkel palmbomen op de rand van enkele rotsen die boven de klotsende zee uit torenen. Daarachter de ondergaande zon en een trapje dat leidt naar een privéstrandje, dat we bombarderen tot ons eigen kleine paradijs. 

Twaalf uur later rollen onze wielen over de asfaltweg die langs de oostkust loopt, terwijl we ‘On the road again’ van Willie Nelson neuriën. We passeren surfersdorpen Jambiani en Paje waar roodverbrande Europeanen de wind proberen te bedwingen, die vandaag niet meer is dan een zoute zucht. We zwemmen in de zoetwatergrot Kuza Cave, waar we een fossiel van een mensenvoet aanraken en door een minijungle wandelen. Bij de ingang vraagt een Europees meisje tien euro toegang als contributie voor het schooltje verderop, waar op de muur ‘Greetings from Lithuania’ staat. 

Tussen lodges, onder de sterren

Wanneer we aankomen bij Sunset Beach, dat bekendstaat om een fenomeen dat subtiel in de naam verwerkt is, parkeren we onze scooter en wandelen we met een watermeloen onder de arm over het strand. Coco (de muzikant uit het hostel in Stonetown) onderbreekt zijn voetbalmatch om ons te komen begroeten en nodigt ons bij hem thuis uit, maar wij zijn op zoek naar ons eigen plekje. Uiteindelijk spreiden we ons deken uit op een stuk strand waar meer bomen zijn dan lodges. We wachten tot het donker is en de drukte op het strand heeft plaatsgemaakt voor het gedreun van een bas in de verte, hangen ons muskietennet aan een tak en wikkelen ons in een deken voor een nacht onder de sterren. 

Via Stonetown rijden we naar de westkant van het eiland, om van daaruit koerst te zetten richting het noorden. Bij een marktje slaan we kruiden in als kerstcadeau voor het thuisfront, en kopen we brood, gekookte eieren, paprika’s en bananen voor de lunch. Weer speelt de neiging rondjes te rijden ons parten en passeren we verschillende wegen en bruggen vaker dan nodig. Dat stoort niet, we hebben tijd. Tegen de late namiddag zetten we volgens de gewoonte koers richting het strand. We vragen een fietsend jongetje om de weg en hij leidt ons via modderpaadjes naar een plek die uit een middeleeuwse film lijkt te komen. Stinkende overblijfselen van de vismarkt liggen overal verspreid, vissers springen op houten bootjes om uit te varen voor de nacht en de rieten daken van hutjes die her en der verspreid zijn, reiken tot de grond. 

We moeten nog een ander strand zien, vindt de jongen. Weer fietst hij voor ons uit en even later staan we op een strand omringd door rotsen, waar een enorm Russisch schip gestrand is dat wel vier verdiepingen telt en nu met al het beschikbare gereedschap uit elkaar gehaald wordt. Een schat aan bruikbaar materiaal voor de inwoners. Enkele jongens heten ons welkom, vragen hoeveel kinderen we hebben en moedigen mijn vriend aan om er eens werk van te maken. Ze zijn gemiddeld twintig jaar oud en hebben allemaal een paar kinderen op de wereld gezet. Eentje neemt mij apart en vraagt of hij met zijn huidskleur mag trouwen met een blanke, in mijn land. Ik zeg dat heel veel mag in mijn land, maar probeer een waarheidsgetrouw beeld te schetsen van de prijs die je daarvoor betaalt. Hoe leg je zoiets uit aan iemand die enkel zonovergoten stranden en allesverwoestende regens kent?

Vallende kokosnoten

Na tien minuten vertrekken we weer. Platgevraagd en duizelig van de felle zon, gaan we op zoek naar een rustigere slaapplek. Die vinden we op een akker waarrond niet al te veel huisjes staan en niemand twee hangmatten tussen de palmbomen opmerkt. Twee meter van onze hoofden valt een kokosnoot op de grond. Mijn vriend vertelt dat hier meer mensen sterven door vallende kokosnoten dan door haaien. Ik weet niet wat ik daaruit op moet maken, maar de kokosnoten boven onze hoofden blijven de hele nacht hangen.

Een paar kilometer ten noorden van deze akkers, ligt Nungwe, het oudste strand van Zanzibar. We eten gefrituurde cassaveballetjes langs de weg en komen vanuit een dorp waar geen enkele blanke te zien is terecht in straten vol souvenirwinkeltjes die uitkomen op het strand, dat bezaaid is met toeristen die vanuit hun lodges rechtstreeks het strand op rollen. Enkele oudere vrouwen wandelen hand in hand met lokale jongens langs de branding. Enkele masai, die vanuit het vasteland hierheen komen om hun slag te slaan bij toeristen, vlechten juwelen in de schaduw van een palmboom.

Een paar zijweggetjes en een wandeling door een dichtbegroeid bos verder, komen we uit bij rotsen waartussen enkele mannen staan te schilderen. Tientallen schilderijen liggen hier opgehoopt en op het onderliggende strand staan ze uitgestald voor toeristen die voorbij wandelen. Terwijl de kunstenaars verder werken aan portretten van veelkleurige leeuwen en masai, installeren wij ons tussen de palmbomen. Wanneer de zon achter de horizon zakt, halen de jongens hun schilderijen van het strand. We vragen of we in hun openluchtstudio mogen slapen. We moeten opletten, zeggen ze. Voor dronken mensen die voorbijwandelen. Maar al snel klotst het water luid tegen de rotsen en is onze kampeerplek zo goed als onbereikbaar.

De luie toerist

De volgende dag schuilen we voor politie – die altijd een poging doet om ons geld af te troggelen voor verzonnen overtredingen – in een zijweggetje. Terwijl we onze meloen verorberen, verklaart mijn vriend zich niet goed te voelen, dus besluiten we op zoek te gaan naar een echt bed. We zetten koers richting Jambiani, waar we eerder uitgenodigd werden in de Red Monkey Lodge. Hiervoor moeten we eerst het halve eiland doorkruisen en tegen de tijd dat we aankomen, hangt mijn vriend als een vaatdoek tegen mijn rug. Met een droge keel en hoofdpijn ligt hij even later hoestend en zwetend onder een ventilator.

Moeten zorgen voor een zieke vriend is een mooi excuus om schaamteloos de toerist uit te hangen. In Jambiani vestigden vele buitenlanders zich, achter de echo van hakuna matata aan. Hierdoor is er zelfs een hipsterbarretje te vinden en een supermarkt waar ze kaas verkopen. De cappuccino met rustige jazz op de achtergrond maakt mijn dag, de mozzarella op een boterham die van mijn vriend. Een paar dagen later lijkt hij weer helemaal de oude, en komt hij voor het eerst de kamer uit om de befaamde Crazy Monday bij te wonen. Iedereen heeft het erover. Bij het benzinestation, op het strand,... overal wordt op maandag gepraat over de wekelijkse jamsessie bij de Red Monkey Lodge.

Voor ons is Coco de main act van de avond. Maar ook de continu stonede Israëliër van een paar hotels verderop, verbaast ons met zijn gitaarspel. De bandjes volgen elkaar in razend tempo op en worden allemaal begeleid door een percussionist en bassist die van elke amateur een popster kunnen maken. Hier, in het publiek, lijken alle mensen die we de afgelopen weken hebben ontmoet samen te komen. De roodverbrande kitesurfers, de oude vrouwen met jonge vriendjes, de vrijwilligers die zich laten versieren door locals, de jongens op zoek naar een onbekend Europa, de Westerse gezinnen die eindelijk een kijkje buiten hun lodge nemen, de rastafari met Bob Marley hoedjes op en zelfs de importmasai.

Door de gietende regen doorkruisen we het eiland de volgende dag voor een laatste keer. Schuilend onder een afdakje vertellen twee jongens ons verward dat ze niet meer weten wat ze moeten denken van het klimaat. “Dit is het droge seizoen”, zeggen ze beteuterd. Door de plassen zijn de gaten in de weg onzichtbaar, met een slakkengang werken we onze weg door het regenwoud. Na het inleveren van een gehavende scooter en het op het vliegtuig helpen van een gehavende vriend (die gisteren na een val met zijn voet onder de scooter terechtkwam), zijn we blij dat we thuis weer met een warme chocolademelk voor de open haard kunnen kruipen.

Dit artikel gaat over:

Voor het laatst bijgewerkt op: 02.10.2020